Herexamens
Herexamen 2026 PW13
Wanneer moet je bij de behandeling van hoofdpijn alert zijn op medicatieovergebruikshoofdpijn (MOH)? Indien de patiënt gedurende drie maanden …
Toelichting
Het juiste antwoord is: … op vijftien of meer dagen per maand paracetamol of NSAID’s of op tien of meer dagen per maand triptanen, opioïden of een combinatie van analgetica gebruikt..
Let bij de medicamenteuze behandeling van spanningshoofdpijn en migraine op de frequentie van gebruik van de aanvalsmedicatie in verband met het risico op medicatieovergebruikshoofdpijn (MOH). Leidend hierbij is het totaal aantal dagen waarop de medicatie wordt gebruikt en niet het totaal aantal doseringen of de totale dosis per dag. De kans op MOH bij patiënten met clusterhoofdpijn is klein.
MOH komt veel voor. De prevalentie in de algemene bevolking bedraagt circa 1-2%. MOH komt vier keer vaker voor bij vrouwen dan bij mannen; de hoogste prevalentie wordt gezien bij personen tussen 50 en 60 jaar. MOH komt ook voor bij kinderen. Circa twee derde van de patiënten met chronische hoofdpijn heeft MOH. De gevoeligheid voor MOH lijkt genetisch bepaald. MOH treedt niet op indien analgetica voor andere indicaties worden gebruikt, maar hoofdpijn als bijwerking kan wel optreden.
De behandeling van MOH bestaat uit het staken van alle analgetica en triptanen.
Bron: NHG-Richtlijn Hoofdpijn, https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/hoofdpijn#volledige-tekst-medicatieovergebruikshoofdpijn--2 geraadpleegd op 25 februari 2026
Herexamen 2026 PW12
Zet de maatregelen in volgorde van meest naar minst doeltreffend om blootstelling aan gevaarlijke stoffen en geneesmiddelen zoveel mogelijk te voorkomen, volgens de arbeidshygiënische strategie.
1. Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen en een mondmasker.
2. Toepassen van ventilatie.
3. Taakroulatie, zodat werknemers niet te lange tijd aan een gevaarlijke stof of geneesmiddel worden blootgesteld.
4. De stof of het geneesmiddel vervangen door een niet of minder gevaarlijke stof of geneesmiddel.
Toelichting
Het juiste antwoord is: c. 4-2-3-1.
Werkgevers moeten ervoor zorgen dat werknemers veilig en gezond hun werk kunnen doen. Bij het beheersen van de risico’s moeten bedrijven de arbeidshygiënische strategie volgen bij het nemen van maatregelen. Deze strategie heeft als uitgangspunt het voorkomen en beperken van blootstelling aan gevaarlijke stoffen door maatregelen te nemen zo dicht mogelijk bij de bron.
De arbeidshygiënische strategie bestaat uit vier niveaus van maatregelen. Als eerste moet de werkgever maatregelen nemen bij de bron ter voorkoming van blootstelling (4). Als dat redelijkerwijs niet mogelijk is, dient hij maatregelen van het tweede niveau te nemen. Dit zijn technische maatregelen, zoals het toepassen van ventilatie (2). Als dat redelijkerwijs ook niet mogelijk is, zijn maatregelen van het derde niveau verplicht, de collectieve of organisatorische beschermingsmaatregelen. Denk hierbij aan taakroulatie (3). Zijn zulke maatregelen niet mogelijk of niet doeltreffend genoeg? Dan worden persoonlijke beschermingsmiddelen toegepast (1).
Bronnen:
• Hoe werkt de arbeidshygiënische strategie? Nederlandse Arbeidsinspectie. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Versie september 2020. Hoe werkt de arbeidshygiënische strategie? | Hulpmiddel | Nederlandse Arbeidsinspectie (nlarbeidsinspectie.nl). Geraadpleegd 2 december 2025.
• Zelfinspectie werken met gevaarlijke stoffen. Nederlandse Arbeidsinspectie. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. https://www.zelfinspectie.nl/zelfinspecties/werken-met-gevaarlijke-stoffen. Geraadpleegd 2 december 2025.
Herexamen 2026 PW11
Wat is waar over het gebruik van antidepressiva bij prikkelbaredarmsyndroom (PDS)?
Toelichting
Het juiste antwoord is: Antidepressiva beïnvloeden de neurotransmitter serotonine in de hersenen en darmen vanwege de verstoorde darm-hersenas bij PDS..
Antidepressiva kunnen effectief zijn bij de behandeling van PDS. Een van de hypothetische oorzaken van de ontwikkeling van PDS is een verstoorde darm-hersenas. Antidepressiva beïnvloeden de neurotransmitter serotonine zowel in de hersenen als in de darmen.
Het gebruik van antidepressiva bij PDS is off-label. Een voorschrijver kan zijn keuze baseren op het bijwerkingenprofiel, eventuele contra-indicaties en de patiëntkenmerken. TCA’s kunnen als bijwerking onder meer een toename van obstipatie geven, SSRI’s een toename van diarree. Bij patiënten met comorbide affectieve problematiek zoals angst en/of depressie heeft een SSRI de voorkeur. Bij patiënten bij wie pijn op de voorgrond staat, heeft een TCA de voorkeur. Maak in het FTO afspraken over het vermelden van de indicatie op het recept, zodat u als apotheker passende voorlichting kunt geven.
Bronnen:
• NHG-Werkgroep Prikkelbaredarmsyndroom. NHG-Standaard Prikkelbaredarmsyndroom (versie 3.0). Utrecht: NHG, 2022. Zie https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/prikkelbaredarmsyndroom-pds geraadpleegd op 27 februari 2026.
• Keuzehulp PDS, https://www.pdsb.nl/keuzehulp geraadpleegd op 27 februari 2026.
Herexamen 2026 PW10
Welke bewering over een tijdelijk afwijkende verpakking (TAV) is juist?
Bij geneesmiddelentekorten kan een handelsvergunninghouder ervoor kiezen het geneesmiddel tijdelijk te leveren via een geneesmiddelenverpakking uit een ander land. Een tijdelijk afwijkende verpakking (TAV) is een van de oplossingen die in de praktijk worden toegepast bij een tekort.
Beschouw onderstaande beweringen:
I. Een TAV is afkomstig uit een EER (Europese Economische Ruimte)-land en is afgezien van de verpakking, geheel identiek aan het in Nederland of centraal geregistreerde product.
II. Een TAV hoeft niet dezelfde productieplaats te hebben als het in Nederland geregistreerde product, als het maar een EER-land betreft.
Toelichting
Het juiste antwoord is: Stelling I is juist..
Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) heeft acht voorwaarden gesteld aan een TAV. Stelling I is één van de acht voorwaarden. Stelling II is onjuist, daar het vervangende product dezelfde productieplaats moet hebben als het in Nederland geregistreerde product. EER staat voor Europese Economische Ruimte; in totaal behoren dertig Europese landen hiertoe.
Zie voor de overige voorwaarden en een overzichtslijst van alle goedgekeurde en afgewezen besluiten voor een TAV.
Herexamen 2026 PW9
Welke recept verwacht u als uw patiënt is gestopt met denosumab?
Toelichting
Het juiste antwoord is: zoledroninezuur 5 mg i.v. 1x per zes maanden.
Bij stoppen van een behandeling van denosumab is een adequate nabehandeling met bisfosfonaten nodig om een rebound in de botturnover met snelle daling van de botmineraaldichtheid (BMD) en verhoogd risico op multipele wervelfracturen te voorkomen. Bij stoppen van denosumab na een kortdurende behandeling (tot drie jaar) wordt zes maanden na de laatste denosumab-injectie gestart met een nabehandeling met alendroninezuur 70 mg 1x per week gedurende ten minste twaalf maanden of met zoledroninezuur 5 mg i.v. ten minste eenmalig. Afhankelijk van de botdichtheid en eventueel nieuw ontstane fracturen wordt de nabehandeling zo nodig gecontinueerd.
Bij stoppen van denosumab na een langduriger behandeling (drie jaar of langer) wordt nabehandeld met zoledroninezuur, aanvankelijk 5 mg i.v. 2x per jaar, waarbij het eerste infuus zes maanden na de laatste denosumab-injectie wordt gegeven en het tweede infuus zes maanden later. Vervolgens wordt twaalf maanden na het tweede infuus een DXA- en VFA-meting verricht en wordt de nabehandeling zo nodig gecontinueerd met de standaardbehandeling van 5 mg i.v. 1x per jaar.
Zoledroninezuur 4 mg i.v. 2x per jaar wordt toegepast bij een andere indicatie, namelijk als adjuvans bij de behandeling van mammacarcinoom bij postmenopauzale vrouwen.
Bronnen:
• Informatorium Medicamentorum, Calciumregulerende middelen, KNMP Kennisbank 2025 https://kennisbank.knmp.local/article/Informatorium_Medicamentorum/G821.html#G823, https://kennisbank.knmp.local/article/Informatorium_Medicamentorum/S2803.html en https://kennisbank.knmp.local/article/Informatorium_Medicamentorum/S5049.html, geraadpleegd op 23 december 2025
• NIV-richtlijn Osteoporose en fractuurpreventie 2022 https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/osteoporose_en_fractuurpreventie/startpagina_-_osteoporose_en_fractuurpreventie.html, geraadpleegd op 23 december 2025
Herexamen 2026 PW8
Het Risico-instrument Farmaceutische Stoffen (RiFaS) geeft advies over veiligheidsmaatregelen die nodig zijn voor het beheersen van de gezondheidsrisico’s bij het voor toediening gereedmaken (VTGM) van geneesmiddelen en bij het bereiden. Welke stelling over het aanmaken van amoxicillinepoeder voor suspensie 250 mg/5 ml in de apotheek is juist?
1. Volgens RiFaS hoeft het aanmaken van de amoxicillinesuspensie niet in een stofafzuigkast plaats te vinden als het gaat om een kortdurende handeling.
2. Volgens RiFaS is het voor een zwangere medewerker of medewerker die borstvoeding geeft veilig om de amoxicillinesuspensie in een stofafzuigkast aan te maken.
Toelichting
Het juiste antwoord is: Beide stellingen zijn onjuist..
Amoxicilline is een sensibiliserende stof, die een overgevoeligheidsreactie kan veroorzaken door inademing of blootstelling via de huid. RiFaS adviseert daarom om – bij een uitvoeringsduur van maximaal twee uur per werkdag – de amoxicillinesuspensie in een stofafzuigkast aan te maken, ondanks de korte duur (enkele minuten) van de handeling. Daarnaast adviseert RiFaS om tijdens het aanmaken handschoenen te dragen.
Volgens RiFaS is het aanmaken van de amoxicillinesuspensie bij zwangerschap en borstvoeding veilig indien dit in een veiligheidswerkbank gebeurt en een mondmasker P2 of P3 en handschoenen worden gedragen (eveneens bij een uitvoeringsduur van maximaal twee uur per werkdag). Omdat dit in de praktijk lastig uitvoerbaar is, laten veel apotheken geen antibioticumsuspensies aanmaken door zwangeren en medewerkers die borstvoeding geven.
Bronnen:
• RiFaS-advies aanmaken amoxicilline poeder voor suspensie 250 mg/5 ml (aangevraagd via www.rifas.nl op 01-12-2025)
• LNA-mededeling ‘Nieuwe RiFaS-adviezen beschikbaar voor VTGM-handelingen’ (geraadpleegd via KNMP Kennisbank op 01-12-2025)
Herexamen 2026 PW7
Een patiënt heeft als genotyperingsuitslag CYP2C9 *1/*2. Aan welke farmacogeneticacontra-indicatie(s) moet u deze patiënt koppelen?
Toelichting
Het juiste antwoord is: aan CYP2C9 *1/*2.
Het juiste antwoord is aan CYP2C9 *1/*2. CYP2C9 IM ANDERS dient alleen gebruikt te worden voor patiënten met behalve *1 een ander verminderd actief allel dan *2 of *3. De andere antwoorden zijn daarom fout. *2 is het in Nederland meest voorkomende variant-allel. Het heeft een minder sterk verlaagde activiteit dan de meeste andere variant-allelen.
Koppeling van patiënten met CYP2C9 *1/*2 (het meest voorkomende variant CYP2C9-genotype) aan CYP2C9 IM ANDERS kan daarom tot onterechte signalen of tot adviezen voor een te sterke aanpassing van de therapie leiden voor patiënten met dit genotype. Zo moet de dosering van acenocoumarol, warfarine en siponimod niet worden aangepast voor CYP2C9 *1/*2, maar wel voor CYP2C9 IM ANDERS.
Bronnen: de algemene achtergrondtekst van CYP2C9 in de KNMP Kennisbank https://kennisbank.knmp.local/files/medisch_farmaceutische_beslisregels/pdf/CYP2C9.pdf en de genoemde CYP2C9-geneesmiddelinteracties (eveneens in de KNMP Kennisbank) CYP2C9*1/*2: acenocoumarol (2516-1) | KNMP Kennisbank CYP2C9 IM ANDERS: acenocoumarol (2521-2) | KNMP Kennisbank CYP2C9*1/*2: warfarine (5771-2) | KNMP Kennisbank CYP2C9 IM ANDERS: warfarine (5776-2) | KNMP Kennisbank CYP2C9*1/*2: siponimod (7112-1) | KNMP Kennisbank CYP2C9 IM ANDERS: siponimod (7117-1) | KNMP Kennisbank (geraadpleegd op 23 december 2025).